Als er dingen op een andere plek staan in huis word ik onrustig, ik houd er helemaal niet van en zet verschoven items direct terug op de plek waar ze, naar mijn idee, horen. En als ik een verslag of memo af moet leveren, vind ik dat ik pas klaar ben als ik alle details op orde heb, voor die tijd lever ik het liever niet in. Je zou dat perfectionistisch kunnen noemen, ik dacht in ieder geval zelf altijd dat ik dat was.
Volgens de Psychipedia betekent het dit: ‘Als je perfectionistisch bent, heb je de drang dingen volmaakt te willen doen. Je wilt geen fouten maken, en het hoogst mogelijke uit jezelf halen. Je moet de beste, slimste, snelste of knapste zijn. Oftewel je wilt alles perfect doen.’ Voor mij betekende dat: het is nooit goed genoeg, ik ben nooit goed genoeg. Daarbij vergeleek ik bepaalde eigenschappen van mezelf met diezelfde eigenschap van iemand die er heel goed in was, en een andere eigenschap met diezelfde van iemand anders die daar weer heel goed in was. Mijn standaarden waren een combinatie van alle beste eigenschappen van verschillende mensen in mijn omgeving: klasgenoten, andere leeftijdsgenoten, enzovoort.
Tijdens mijn herstelproces heb ik de hele tuin heringericht. Het begon met het langzaam ontstenen van een deel van de tuin, waarna ik hele delen opnieuw heb ontworpen. Ik kreeg lol in bestraten en beplanten, zag mijn eigen fantasie en creativiteit letterlijk tot bloei komen. En in de tuin hoefde het niet zo precies. De kinderen moesten er tenslotte ook hun ei kwijt kunnen, vies kunnen worden, kunnen graven, klimmen, springen, rennen, vallen en weer opstaan. Daar moest die tuin tegen bestand zijn, dus ik nam het niet zo nauw met strakke lijnen. Het werd langzaam maar zeker een wilde, beetje cottage achtige tuin, met veel ruimte (wel duidelijk afgebakend) om te ravotten.
Zittend in de zon op een van mijn favoriete plekjes vroeg ik me af hoe het toch kon dat ik binnen zo enorm gebrand was op waar dingen stonden en buiten maar een beetje aanrommelde. De enige overeenkomst die ik kon vinden was dat het zowel binnen als buiten was zoals ik had bedacht, en dus zoals ik verwacht.
Als experiment maakte ik binnen ook een plek waarvan ik bedacht dat het rommelig mocht zijn, een soort gecontroleerde chaos. En het werkte, ik kon het laten voor wat het was, ik had het namelijk zo bedacht en verwacht, ik bleef controle houden. Trots vertelde ik mijn lief mijn bevindingen, voor mezelf was het echt een ontdekking en ook hem was het opgevallen dat ik in zijn ogen beter de boel de boel kon laten. ‘Dat is het niet’ reageerde ik, ‘het is nu zo bedacht, het is rommelig by design’.


