Het vriest dat het kraakt en de eerste natuur-ijsbanen zijn net open. In plaats van mijn schaatsen onder te binden ben ik vanmorgen op de fiets gestapt, voor mijn tweede week in een nieuwe baan. Op zich niet heel bijzonder, ware het niet dat ik voor het eerst in meer dan twee jaar weer aan het werk ben gegaan.
Ruim twee jaar zat ik ziek thuis, maandenlang kon ik helemaal niets, totaal opgebrand. Langzaam, stukje bij beetje kon ik weer iets, al was het eerste jaar thuis een soort persoonlijke ijstijd: een groot deel van mij, van mijn karakter en vaardigheden, lag verscholen, als een versteend fossiel onder een dikke laag ijs.
En nu zat ik op de fiets van het station terug naar huis. Ondanks de kou voel ik alleen maar warmte. Warmte door het harde fietsen, door mijn handschoenen, maar vooral door iets wat ik jarenlang niet heb gevoeld. Ik ben ‘on fire’, het stroomt weer van binnen, er stroomt een energie door me heen waarvan ik bang was dat ik het nooit meer zou voelen.
Middenin mijn eigen ijstijd, na maanden rust, begon toch weer een klein vuurtje te branden. Eerst zwak, later sterker en warmer, soms weer even zwakker. Met mijn coach had ik besproken dat ik altijd wel iets te ambitieus was geweest, dat ik mezelf te snel had opgebrand door teveel te willen. Het vuur was al jaren geleden gedoofd, mijn ambitie omgezet in krampachtig geploeter om toch vooral te bewijzen dat ik het goed genoeg deed, goed genoeg was.
Zielsgelukkig trap ik nog harder. Voor het eerst in jaren kríjg ik energie van werken, gééft het me iets in plaats van dat het alleen maar veel kost.
Een paar dagen later sta ik op straat met een buurvrouw te praten terwijl onze kinderen met hun winterlaarzen ‘schaatsen’ op de ijsplaat die zich op straat heeft gevormd. Ze vraagt hoe het gaat in mijn nieuwe baan en ik vertel haar hoe fijn het is, hoe makkelijk het gaat en hoeveel energie het me geeft. Dat de mensen zo hartelijk, meedenkend, oplettend en kundig zijn, dat ik niet op mijn tenen hoef te lopen. ‘Een normale baan in een normale omgeving dus’ zegt ze met een knipoog. ’Liever normaal ‘on fire’ dan te ambitieus opgebrand‘, denk ik nog net niet hardop.


