We zijn net weer terug van vakantie. In de auto terug bedacht ik me hoe heerlijk het was geweest, veel buiten, skiën met en zonder kinderen, familie om me heen. Ik zit op de bijrijder stoel, manlief rijdt en mijmert dat hij het zo fijn vindt dat we wat langer weg zijn geweest. En dat het nu ook weer heerlijk is om naar huis te gaan.
Ik kan niet anders dan beamen dat ik het ook fijn vind om weer naar huis te gaan. We wonen prachtig, in een gezellige en rustige buurt met bos en heide op loopafstand. Ik weet dat ik ons huis helemaal had opgeruimd voordat we weggingen en het is ondertussen ook helemaal schoongemaakt door onze lieve hulp. Toch zet ik me een klein beetje schrap…
De sleutel draait om in het slot en ik loop naar binnen, ik zie de slijtplekken op de trapleuningen, de vlekken op het tapijt van de trap. Er liggen pakketjes en post op de eettafel, wel op een mooie stapel met dank aan de buurvrouw. Een plant hangt helemaal slap. Boven sla ik ons bed dicht en trek het zo recht als ik kan. Ondertussen ligt de hal helemaal vol tassen, ik sleep er een naar de zolder en zet direct een was aan. De hele middag ben ik in de weer, tot ik zo ellendig ben dat ik niet meer kan. Maar de tassen zijn leeg, wassen gedraaid en uitgezocht om te draaien, eten gekocht voor de komende dagen en er pruttelt een pan soep.
Ik heb het lange tijd heel vreemd gevonden, maar ik moet altijd wennen als ik weer thuiskom na een vakantie. Wennen aan mijn eigen huis, aan de imperfecties, de details, de eigenheid. Zeker als dan ook alle spullen naar binnen worden gesleept raak ik totaal overprikkeld, als ik niet uitkijk foeter ik wat af. Sinds een paar jaar bereid ik mezelf er metaal op voor, al tijdens de reis denk ik na over wat te doen en vooral wat niet, wat wachten kan. Ik vertel mezelf de wanorde van de vakantiespullen te accepteren, ook al weet ik dat het meestal niet helemaal lukt. Maar het helpt, deze voorbereiding.
Als we de kinderen naar boven brengen zie ik nog twee enorme tassen speelgoed staan. ‘Voor later, niet meer voor nu’ commandeer ik mezelf. Als ik de oudste doodmoe in bed heb gelegd plons ik bij de jongste in bad, tot grote hilariteit van het kleine mannetje.
In m’n pyjama loop ik nog een rondje door het huis, geniet van mijn zelf behangen muurtje, kijk trots naar mijn heerlijke werkkamer, verheug me op de klus- en verfprojecten die op me liggen te wachten en besluit morgen met een heerlijke koffie de pakketjes open te maken. Tevreden stap ik bed, oost west thuis best!


